copyright: Paul Hermans
copyright: Paul Hermans

Hieronder vind je de toespraak van Cas Goossens op de oud-leerlingendag. Veel leesplezier met deze herinneringen!

 

Mevrouw de Directrice, Mijnheer de Directeur,

Het wordt hier ingewikkeld, met die aanspreektitels. Twee bazen naast elkaar, en dan nog wel een man een een vrouw. Waar gaan we naartoe! In onze retoricatijd was het leven veel eenvoudiger. Wij moesten ons maar tot één CEO richten, de “Zeereerwaarde Heer Superior”, de ongenaakbare assistent van God zelf, gediend door een grondpersoneel van 34 celibataire leraars in een lange zwarte rok plus vijf gelegenheidsleken die af en toe opdoken: Ast Fonteyne voor Nederlandse uitspraak, Monsier Deligne voor Franse dictie, meneer Van der Flaes voor turnen, Jos Bruurs voor klassieke muziek en Sloef voor de fanfare.

 

Dames en Heren,

Wij behoorden nog tot de generatie die de overgang van de Middeleeuwen naar de Moderne Tijd in dit kleinseminarie heeft meegemaakt. In Mechelen waren de Middeleeuwen in de vijftiende eeuw al afgesloten, toen Margareta van Oostenrijk daar het eerste Renaissancegebouw van de Nederlanden had laten optrekken. In Hoogstraten hebben ze met die overgang nog vijf eeuwen gewacht, tot in 1953 om precies te zijn. In 1953 mochten wij voor het eerst beleg voor onze boterham van thuis meebrengen. Een ongehoord revolutionair gebaar met de bekende desastreuze gevolgen waar ze nu mee zitten: een kluwen van een stuk of twintig studierichtingen in plaats van één overzichtelijke Grieks-Latijnse, en zowaar een horde meisjes die nu zomaar tussen al die mannelijke kandidaat-priesters rondlopen om hen van het celibaat af te leiden.

O mutatio rerum! (=”Wat een veranderingen!”) Confituur op onze boterham was de katalysator van onheilspellende veranderingen.

Tot in 1953 hadden wij alleen droog brood gegeten. Nu ja, “droog” brood: er werd verteld dat onze boterhammen in de keuken over een lange band liepen en dat de Eerwaarde Keukenzusters er af en toe met een brede kwast gesmolten magarine over smeerden –daar ontdekten wij inderdaad vaak de sporen van. ‘s Morgens bij het ontbijt mochten we van die boterhammen zoveel sneden eten als we op konden krijgen, ‘s namiddags, bij het zogegezegde vieruurtje, kregen we elk twee sneetjes. Als we ‘s vrijdags (vastendag!) wakker werden, roken we al de stank van de vis die ‘s middags niet te vreten zou zijn: we wisten dat we na de noen honger zouden lijden. Dus moesten we voor het vege-lijfsbehoud bij het ontbijt proberen ongezien zoveel mogelijk boterhammen aan ons mes te spietsen en onder het houten tafelblad vast te pinnen als overlevingspakket.

Bij onze boterhammen werd uit grote koperen kannen een vloeistof geschonken die “koffie” werd genoemd. Van die “koffie” hebben ze ooit eens een staal naar een laboratorium gestuurd voor onderzoek. Het staal is teruggekomen met de melding “het paard moet meer haver krijgen”.

‘s Middags was soep de onvermijdelijk “entrée” van ons diner. De soep werd opgediend door de knecht Jaak Driedijk, die ostentatief zijn grote duim in de binnenkant van de kommen hield -een indrukwekkende duim van de even indrukwekkende hand waarmee Jaak net voordien de toiletten van de speelplaats schoongemaakt had –toiletten zonder spoeling, waarvan ik kiesheidshalve de duidelijk zichtbare maar niet nader te omschrijven bestanddelen van de inhoud (met bijpassende geur) niet wens te vermelden. Na de soep bracht Jaak onze “plat de résistance”, doorgaans met een lap leer waaraan ik voor de rest van mijn leven een viscerale afkeer voor rosbief overgehouden heb.

Vóór de confituurrevolutie hadden enkele durvers het toch al gewaagd stiekem smakelijkere leeftocht binnen te smokkelen. Rem Van Lil placht niet-bederfbare saucisse mee te brengen. Hij verstopte die in zijn alkoof in de gleuf die hij ontdekt had in de achterwand van het kastje waarin onze nachtpot stond –niet de meest hygiënische maar wel de veiligste plek om saucisse voor een surveillant te verbergen.

Gemiddeld bleven wij zes keer per jaar zes weken in het internaat. Wij mochten naar huis met Allerheiligen, de kerstvakantie, de eerste zondag van de vasten, de paasvakantie, Sinksen en de grote zomervakantie. Wij die met zes-zeven-acht lotgenoten uit Itegem kwamen, werden aanvankelijk gebracht en afgehaald met de legerjeep (de Tweede Wereldoorlog was nog niet lang voorbij) van boer Louis van Nelis en later met de bestelwagen van slager Louis van Meines. We hebben ooit met negen samen –elk met ons valiesje- in die ene jeep gezeten. Als we voor een sortie in ons dorp aan de kerk werden afgezet, stonden onze moeders ons op te wachten. Zij pakten onmiddellijk ons valiesje aan –ons valiesje met vuil ondergoed van zes weken dat dringend in de was moest. Eentje van ons, die voor de eerste keer mee me op internaat gegaan was –ik zal zijn naam niet noemen, er leeft nog teveel familie van- stapte met lege handen uit de jeep. “Waar is uw valiesje?” vroeg zijn moeder. “Welk valiesje?” antwoordde hij. “Uw valiesje met vuil ondergoed”, zei zijn moeder. ”Welk vuil ondergoed?” vroeg onze kameraad verwonderd. Hij had zonder problemen zes weken hetzelfde aangehouden.

Na elke “sortie” waren de eerste dagen in het strenge internaat heel hard. Wij kennen allemaal heel goed het gevoel van gemis. Maar we moesten proberen ons te handhaven. Onze ouders deden zoveel om ons te laten studeren, dat werd er bij ons goed ingehamerd, wij mochten hen niet teleurstellen. En wij probeerden ons te amuseren.

Our pleasures were few and simple.

Er is ooit met uitbundige hilariteit in de grote studiezaal een hele avond met man en macht gejaagd op een konijn dat daar rondhuppelde. Pas veel later, toen ik in Leuven zat, heb ik vernomen dat Fee Van Ballaert erin geslaagd was na een sortie dat konijn, door niemand opgemerkt, helemaal vanuit Brecht naar de studiezaal te smokkelen.

Op een sinterklaasavond werd de gewijde stilte in diezelfde studiezaal plots verbroken door het helle gerinkel van een klein belletje ergens in het midden van die grote ruimte. En terwijl de surveillant –ik denk dat het wijlen E.H. Louis Verbraeken was- van zijn katheder op het verontrustende geluid afstormde, rinkelde achter zijn rug aan het einde van de zaal een even vrolijk belletje. Mijnheer Verbraeken nam met ingehouden woede een bocht van 360 graden en stapte rood aanlopend met grote schreden naar de achterdeur, terwijl er aan de voorkant een derde even vrolijk belletje begon te rinkelen. De boel stond helemaal op stelten: het gejoel dreigde paniek te veroorzaken. Er bleken zes altaarbelletjes, volgens een ingenieus systeem door een lange garendraad met elkaar verbonden, onder zes verschillende banken vooraan, achteraan en aan de zijkanten, opgehangen te zijn, en die konden ongezien van op een afstand met een trekje aan die garendraad geactiveerd worden. Aan belletjes was er in het kleinseminarie geen gebrek. Hoeveel zij-altaren waren er niet in een kapel waar dagelijks 34 priesters hun mis moesten lezen –en elk zij-altaar had zijn eigen belletje, dat makkelijk mee te graaien was na een eenzame en ogenschijnlijk zeer godvruchtige meditatie in het Huis des Heren. De combinatie van belletjes met garendraad en een vernuftig ophangsysteem was een meesterwerk van durf, handigheid en verbeelding. En heeft Einstein ooit niet gezegd dat “Imagination is more important than knowledge”?

Drie keer per week werden wij gelucht. Dan mochten de eendere grijze stofjassen waarin wij alle werkdagen rondliepen even uit, en liepen wij, voor het oog van de buitenwereld gekleed als gewone jongens, in een lange rij per drie –numquam duo, semper tres!- (=”nooit twee, altijd drie”) door Hoogstraten, -een deel stouteriken, die tegen een hete lamp gelopen waren, op straftocht over slechte kassei naar Loenhout, de brave jongens naar het eldorado van het buitenverblijf Withof, waar de ouderen onmiddellijk hun sigaret mochten aansteken aan het kaarsje van het verrimpeld moedertje dat daar woonde en waar de kleintjes zich met simpele kinderspelen konden vermaken.

Als wij door de Vrijheid in de richting van Minderhout stapten, moesten wij voorbij Cinema Roma passeren, waar de pronte jonge dochter Annie toevallig altijd buiten stond als wij voorbijkwamen. Alleen het zien van Annie deed honderden puberende jongensharten sneller slaan. Zij was voor ons de eeuwige Eva die de koningin van vele dromen is geweest –en de nachtmerrie van de geestelijke surveillanten die over onze kuisheid moesten waken in een tijd toen het grootste deel van de retraitepreken aan het naleven van het zesde en het negende gebod gewijd was.

Meisjes waren taboe. Denken aan meisjes was zonde. Die nachtmerrie van de surveillanten was derhalve nog erger als de jongenswandeling van het seminarie toevallig de wandeling van de meisjes van het Spijker kruiste. Bij die meisjes waren zussen van onze kameraden en die zussen hadden vaak bekoorlijke vriendinnetjes. Hoe kon je dan gedaan krijgen dat de jongens het hoofd afwendden? Eigenlijk hadden het parcours en het tijdstip van de respectieve wandelingen beter vooraf tussen het bestuur van Spijker en Seminarie afgesproken moeten zijn.

Bij de jezuïeten in Turnhout hadden ze een gelijkaardig probleem met de wandeling van de jongens van Sint-Jozef en de meisjes van het Heilig Graf. Het verschil was –zo heb ik achteraf uit goede bron vernomen- dat de jezuïeten van dat probleem helemaal geen probleem maakten. Integendeel. Zij legden het er bewust op aan dat de jongenswandeling af en toe de meisjeswandeling zou kruisen, want zij vonden “dat de jonge bokken geregeld eens de geur van de geiten moesten opsnuiven om geen verkeerde neigingen te ontwikkelen”. “Les liaisons dangereuses”, je weet wel. Die jezuïeten toch, slim, maar voor geen haar te betrouwen!

Ik heb in Hoogstraten mijn Plechtige Communie gedaan. Napoleon vond zijn Plechtige Communie de mooiste dag van zijn leven, vertelde Superior Peeters ons bij de voorbereiding. De Superior sloot zich bij de uitspraak van Napoleon aan. Wij hebben later de indruk gekregen dat beide genieën zich lichtelijk vergist hadden, tenminste wat ons betrof. In Hoogstraten werd het niet op prijs gesteld dat wij de dag van onze Plechtige Communie bezoek zouden krijgen. Op “de mooiste dag van ons leven” hebben wij dus niemand van onze familie gezien. Wij gingen wel naar de vroegmis, ontvingen de communie op plechtige wijze tijdens de hoogmis, genoten vervolgens de hoge eer te mogen dineren in de eetzaal van de heren leraars –waar wij overigens onze eerste sigaretten mochten roken, woonden nadien het lof bij en gingen tenslotte op bedevaart naar Meersel-Dreef –in een bus die lekte terwijl het oude wijven regende. Ter afsluiting van “de mooiste dag van ons leven” stonden wij na het avondgebed in lange rijen aan te schuiven voor het toilet, allemaal ziek van die eerste sigaretten.

En tussendoor studeerden wij. Wij (de meesten toch) studeerden hard. “Ze hebben ons daar toch leren werken”, zei Professor Peremans mij later in Leuven. Peremans was een groot historicus, gespecialiseerd in de Klassieke Oudheid, en een oud-leerling van Hoogstraten . In ons kleinseminarie had hij zijn Latijn en zijn Grieks geleerd. Ik zal ook altijd het kleinseminarie dankbaar blijven voor de onschatbare verrijking die wij met de studie van Latijn en Grieks hebben opgedaan. Niet alleen hebben wij talen leren uiteenhalen en weer ineensteken, zoals een soldaat zijn geweer blindelings moet kunnen uiteenhalen en weer ineensteken. Wij maakten opstellen in het Latijn. Een retorica vóór ons was eens op bezoek geweest in het Parlement te Brussel en had daarover een Latijns verslag geschreven waarin zelfs de naam van de toenmalige minister Ludovic Moeyersoen verlatijnst was tot Filius Matris Suae. De grondige studie van Latijn en Grieks heeft ons later enorm geholpen bij de studie van moderne talen. Ons zullen ze niet doen twijfelen aan een datief of een accusatief. En wij gruwen van de verloedering van het Nederlands met die moderne verbasteringen in uitdrukkingen als “tegen zij die” en “hoe noemt dat”.  En van Homeros hebben wij geleerd dat de mens in wezen de jongste drieduizend jaar helemaal niet veranderd is, als we nu nog kunnen lezen dat Achilleus in de Trojaanse oorlog niet met de Grieken mee wilde vechten en in zijn tent bleef zitten mokken omdat Agamemnon zijn lief had afgepakt. Zo’n dingen lees je vandaag de dag nog in Het Laatste Nieuws. Nil novi sub sole! (=”niets nieuws onder de zon”)

Dank u, Hoogstraten, voor het Grieks en het Latijn.

Het geheugen is –gelukkig!- vooral het vermogen om te kunnen vergeten. Weliswaar kan niet iedereen al het verkeerde uit het verleden van zich afzetten, maar veel van het onaangename hebben wij in de loop der jaren leren relativeren door het in zijn tijdsklimaat te situeren. Het goede, het waardevolle dat we geleerd hebben, onthouden we. Daarvoor –en vooral ook voor de blijvende vriendschap die in onze klas gegroeid is door zes of zeven jaar lief en leed te delen, zijn wij Hoogstraten dankbaar.

Haec olim meminisse iuvabit! (=“Wat zal het deugd doen om daaraan terug te denken”)

Dank u.

Cas Goossens

Cas Goossens: “Retorica 55”
Getagd op:    

Eén gedachte over “Cas Goossens: “Retorica 55”

  • 30 mei 2016 om 00:09
    Permalink

    Fijn om de herinneringen van de heer Goossens te lezen!temeer omdat mijn “nonkel wie”alias eerwaarde Louis Verbraeken vernoemd werd 🙂

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *